12 September 2017

La Gantoise, de orangistische Brabançonne


In 1830 scheurde zich uit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, met Franse militaire steun, een Franstalig miniatuurstaatje los. Acht jaar later, in september 1838, werd het separatistische heldenfeit herdacht door het inhuldigen van een vrijheidsbeeld op het Brusselse Martelarenplein.



Uit de verte moet de plechtigheid knarsetandend gadegeslagen zijn door de Gentse orangistische advocaat Pierre Lebrocquy. In de daarop volgende dagen verwerkte hij zijn trauma in twee liederen, een Nederlands en een Frans, die als orangistische tegenhanger bedoeld waren van La Brabançonne, die aanvankelijk La Bruxelloise heette. Wij vinden ze beide in


namelijk De ware Vryheid, Gentsch volkslied op p.94 (meer daarover hier) en La Gantoise, Chant national op p.104. In het voorwoord kunnen we lezen dat de verzamelde liederen aanvankelijk niet voor het grote publiek bedoeld waren, maar enkel voor sommige byzondere vriendenkringen. Daarmee zijn de vrijmetselaarsloges bedoeld, in het bijzonder de Gentse orangistische loge Le Septentrion. Liederen, zowel in het Frans als het Gents-gekleurd Nederlands waren daar een vast onderdeel van de banketten. De Dulle Griete bevat eigenlijk Vlaemsche liedekens, maar geeft op het eind ook enkele Franse mee die als voorbeeld gediend hebben voor Nederlandse versies. Daaronder dus ook La Gantoise.

Bij zo goed als alle liederen staat, logischerwijze, de stemme of wyze (in het Frans air) waarop de tekst gezongen moet worden. De uitzonderingen zijn: twee deuntjes die de Gentenaar van toen bekend zullen geweest zijn (den Belgische Pier la la en Het hondekot te Gent), een op eene nieuwe wyze en La Gantoise zonder iets. Die leemte is vreemd, want men mag toch verwachten dat de koper van een liederenboek kan uitmaken op welke melodie de liederen gezongen moeten worden. Van de Nederlandse versie De ware Vryheid krijgen we de melodie wél, maar die is, gelet op de totaal verschillende rijmschema's, zeker niet die van het Franse lied.

In De Dulle Griete be wordt La Gantoise onmiddellijk gevolgd door een ludieke versie, Les brouillons de Gand, met exact hetzelfde rijmschema, en met Oui les Gantois waar eerst Je suis Gantois stond. Bij de ludieke versie vinden we wél

 AIR: On ne sait pas ce qui peut arriver

Dit hoeft niet te betekenen dat de ernstige versie op dezelfde melodie gezongen werd. Men kan zich goed voorstellen dat het misbruik van dezelfde melodie voor een persiflage als een profanatie aangevoeld kon worden. in Fleurs d'Oranger (1838) vinden we op p.60 een schimplied op Leopold de Coburger, met hetzelfde rijmschema en dezelfde air, maar ook hier is de ernst ver te zoeken. We ontslaan ons dus van de taak, uit te zoeken welke On ne sait pas ce qui peut arriver (er zijn verschillende melodieën met dit refrein) bedoeld kan geweest zijn, en wenden ons opnieuw naar de Chant National.

Kan het onbreken van de air erop wijzen dat het om een alom bekende melodie gaat, waar de lezer vanzelf zal aan denken bij Chant National? Dan zijn er maar twee kandidaten: de nationale hymne onder Willem I ("Wien Neêrlands bloed") en die onder Leopold I (La Brabançonne). De eerste valt af omdat haar verzen uit 8 lettergrepen bestaan. De Brabançonne daarentegen voldoet perfect als melodie. Probeer het maar, het gaat helemaal vanzelf. Toch lijkt die oplossing niet zeer aanneemlijk, want men kan zich moeilijk voorstellen dat de Gentse orangisten de gehate melodie vrijwillig zouden laten weerklinken. Dat zouden zij allicht doen als persiflage, maar niet om eigen patriottische gevoelens te vertolken.

Het rijmschema van La Gantoise is: acht verzen van 10 lettergrepen, met gekruiste rijmen, beginnend met een vrouwelijk rijm (d.w.z. op een doffe -e). Dat schema werd toen veel gebruikt, en er zijn hele lijsten van airs die men ervoor kan gebruiken. Na verschillende ervan uitgeprobeerd te hebben kies ik nu voor Le Dieu des Bonnes Gens van de alom bekende Béranger. Er moet niet aan gesleuteld worden, alle woorden en accenten vallen op de juiste plaats, en ook de sfeer is perfect voor een Chant National. Het beeld dat Lebrocquy voor ogen staat, zowel in zijn Franse als in zijn Nederlandse versie, is dat van een afgodsbeeld dat valselijk de vrijheid incarneert. In het Nederlands vinden we afgodin en Ware Vrijheid, in het Frans idole en autres dieux. Deze context kan Lebcroquy naar Le Dieu des bonnes gens gevoerd hebben.

De melodie kan hier op synthetische piano beluisterd worden, en hieronder volgt de partituur, met de eerste en de laatste van de zeven strofen. (De lettergrepen kunnen ook op andere manieren over de noten verdeeld worden.)


Béranger schreef Le Dieu des bonnes gens in 1817, op een melodie van Joseph-Denis Doche (zie hier). Doche domineerde de Franse lichte muziek van zijn tijd. De Musette du vaudeville bevat niet minder dan 428 airs van zijn hand, geklasseerd volgens alle mogelijke rijmschema's. We vinden er op p. 324 de Vaudeville de Partie Carré die hierboven gebruikt is. De comédie-vaudeville Partie Carrée ou chacun de son côté was in 1810 in première gegaan.

De tekst van Béranger begint met de strofe
Il est un Dieu ; devant lui je m’incline,
Pauvre et content, sans lui demander rien.
De l’univers observant la machine,
J’y vois du mal, et n’aime que le bien.
Mais le plaisir à ma philosophie
Révèle assez des cieux intelligents.
Le verre en main, gaîment je me confie
Au Dieu des bonnes gens. (bis)

Men ziet dat hier de laatste regel uit een verdubbeld half vers bestaat, terwijl dat in onze versie van La Gantoise een volledig vers is. 


P.S.1 Eind 1840 zong Lebrocquy zijn Gantoise voor het laatst, en na de laatste strofe ging het orangistische licht in Le Septentrion onder schamper gelach uit. Hij licht het zelf toe in Souvenirs d'un ex-journaliste, pp. 97-100. Meer over Lebrocquy en de orangistische Septentrion leest men hier.

P.S.2 In 1857 schreef ook Prudens van Duyse in het Frans een politiek gedicht met als titel La Gantoise. Het is te vinden in Van Duyse/Bundel 80 van de Koninklijke Akademie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde van Gent en is hier te bekijken. Het is niet duidelijk of Van Duyse zijn Gantoise geïnspireerd heeft op die van Lebrocquy; in elk geval is het rijmschema anders.


*